Het is 1937 en Stalin gromt. Zijn grom is aangezwollen tot een donder
als het de steppes van Mongolië bereikt. In verloop van enkele jaren wordt
een religieuze traditie met de grond gelijk gemaakt. Het boeddhisme verdwijnt
uit het publieke leven van het dan communistische Land van de Blauwe Hemel.
Maar, zoals later zou blijken, ondergronds blijft er iets gloeien. In
de grootschalige operatie worden 17.000 kloosterlingen vermoord of gedeporteerd
naar Siberië, om nooit meer terug te keren. Vrijwel alle tempels en religieuze
monumenten worden met de grond gelijk gemaakt. Het Gandan klooster in
Ulaanbaatar weet als een van de weinige voor een groot gedeelte te overleven
en blijft in gebruik als een showcase voor buitenlandse gasten. Maar na
de val weet het communisme weer te terug te keren in het leven van de
Mongoliërs. Het straatbeeld wordt opgefleurd door de rode gewaden van
de monniken; kloosters worden heropgebouwd en rituelen weer uitgevoerd;
mensen laten hun vingers weer langs de stupa's glijden en gebedsmolens
draaien hun rondjes. Het verhaal van een wonderbaarlijke verrijzenis.
Ingeklemd tussen de beer Rusland en de draak China ligt het ooit heldhaftige
Mongolië. Op snelle paarden bouwden de Mongolen het grootse keizerrijk
ooit. Nu fluisteren alleen nog de geschiedenisboeken van deze roemruchtige
tijden van de gevreesde khaans. Er is weinig over van deze tijden behalve
een vage herinnering en een grote nationale trots. Na drie eeuwen Chinese
overheersing wordt het huidige Mongolië in de jaren 20 van de 20e eeuw
zelfstandig en een communistische staat wordt gevormd. Deze staatsvorm
grijpt op rigoureuze wijze in op het leven van de Mongoliërs. De nomaden
worden gedwongen zich op een plaats te vestigen. In de tweede helft van
de jaren dertig wordt de grote macht van het Boeddhisme met grof geweld
gebroken.
Hoe nu kon een zo rigoureuze vernietiging plaatsvinden? Natuurlijk gaan
communisme en religie op fundamentele gronden al niet zo goed samen. Als
"opium voor het volk" houdt religie de massa braaf en mak. Het proletariaat
wordt verdoofd door de wierook van het geloof. Interessant is overigens
dat in het nomadische Mongolië zich nooit een arbeidersklasse van enige
omvang heeft gevormd. Toen het land als tweede natie in de wereld het
communisme aannam, brak het daarmee in een klap de basis van de communistische
leer. Maar hoe dan was het mogelijk dat pas na verloop van tijd de kop
werd ingedrukt?
Een deel van de verklaring schuilt in het feit dat het Boeddhisme een
grote politieke macht. Maar dan een derde van de mannelijke bevolking
was monnik of lama en een groot gedeelte van het privé-bezit was in handen
van de Boeddhistische kerk. Aanvankelijk probeerde de communistische leiders
deze religieuze macht voor hen te winnen. Toen dit niet bleek te lukken,
werd onder invloed van Stalin voor een radicale oplossing gekozen.
Een van de kloosters die in die dagen is verwoest is Baldan Baraivan,
gelegen in het geboorte gebied van de Mongoolse vader des vaderlands:
Chinggis Khaan (Djengis Khan). In haar hoogtijdagen huisveste het klooster
3.000 monniken. Er was colleges voor filosofie geneeskunde en astrologie.
Op een steenworp afstand was een gerelateerd nonnenklooster. De betoverende
locatie vind zijn weerslag in een rijke symboliek. De bergen eromheen
worden aangeduid als de tijger, de leeuw, de draak en de garuda. De plattegrond
van het klooster wordt gezien als het lichaam van een mythisch wezen:
de plaatsen van de verschillende tempels symboliseren de lichaamsdelen,
een meertje staat voor de blaas.
Maar ook hier kwamen de communisten. Zij vernielden en plunderden de
tempels en tweemaal teisterde een brand deze gewijde plaats. Slechts de
vier muren van de hoofdtempel bleven als een pijnlijke herinnering staan.
Hoop
In de jaren zestig liberaliseert ook in Mongolië het communisme enigszins.
Als gevolg hiervan neemt de regering een wet aan waarin de vrijheid
van religie wordt afgekondigd. Het blijft echter bij een voornamelijk
papieren vrijheid. Schrijnend zijn de beelden van enkele monniken in
het Gandan klooster die hun rituelen uitvoeren onder het toeziend oog
van een militair.
Pas in 1990 gloort de hoop van een werkelijk religieuze vrijheid, als
in navolging van de Sovjet-Unie het communisme in Mongolië valt. In
1992 wordt een nieuwe grondwet aangenomen en een tijdperk van vernieuwing
zet in. Op economisch, politiek en religieus vlak broeit het aan alle
kanten en moeizaam slaat Mongolië de weg in van liberalisering, democratie
en kapitalisme. Het Boeddhisme eist haar plaats terug in de samenleving
weer op. Kloosters worden weer heropgebouwd en nieuwe worden gesticht.
Koortsig wordt er gezocht naar de 65 jaar geleden begraven religieuze
voorwerpen. Sommige worden weer gevonden, maar van de meeste weet niemand
meer waar ze zijn. Ook bij de uitvoering van de rituelen laat het collectieve
geheugen de Mongoliërs vaak in de steek. Oude monniken trekken weer
een monnikskleed aan en voeren aarzelend uit wat zij zich nog herinneren.
Jonge mensen worden weer opgenomen in de kloosters en de mensen stromen
toe om rituelen bij te wonen. Ook de politiek heeft het Boeddhisme omarmd;
in vele aspecten kunnen de politici weer hun traditionele en religieuze
waarden uiten. Zelfs is er een poging ondernomen om van het Boeddhisme
weer een staatsgodsdienst te maken, maar de internationale gemeenschap
steekt daar een stokje voor. Een verscheidenheid aan christelijke organisaties
is daarvan het levende bewijs. Enkele van hen hebben zich het lot van
de minderbedeelden aangetrokken, anderen lijken zich meer op bekering
van de Mongoliërs te richten. Er is zelfs enige tijd een televisiestation
waar het seculiere programma-aanbod wordt doorweven met christelijke
commercials en bijbelteksten. De glamour van het westerse christendom
trekt, maar de meeste Mongoliërs staan er toch gematigd negatief tegenover.
Ondertussen probeert ook het boeddhisme mee te profiteren van de aantrekkingskracht
van het Westen. Een lange blanke Australiër is aangewezen als hoofd
van een belangrijk boeddhistisch orgaan en series waarin Richard Gere
en Keanu Reeves het boeddhisme toelichten worden op nationale televisie
vertoond. Ook wat betreft de financiering is Mongolië in sterke mate
afhankelijk van international gelden. De armoede is groot en de te herstellen
schade enorm. Lokale groepen proberen hun cultuur en historie te herstellen,
maar zijn vaak afhankelijk van individuele giften en inzet vanuit het
Westen.
Baldan Baraivan is een voorbeeld waar het lokale initiatief is opgepikt
door iemand met meer mogelijkheden. In 1998 wordt de Amerikaan Mark
Hintzke voorgesteld aan de stokoude hoofdmonnik van het klooster. Hij
besluit zich in te zetten voor dit klooster en haar betekenis voor de
lokale gemeenschap, en initieert het Cultural Restoration Tourism Project
(CRTP). Elk jaar reizen een aantal vrijwilligers van over de hele wereld
naar deze afgelegen plaats in Mongolië, om daar - letterlijk - hun steentje
bij te dragen aan de heropbouw. Het zijn ook deze vrijwilligers die
voor een groot gedeelte de inkomsten voor het project genereren. Nu
in 2002 kan na jaren van voorbereiden eindelijk met de feitelijke bouw
worden begonnen. Eerst moest het kamp worden gebouwd, de omgeving verkent
op vondsten, de architectuur van de tempel worden gereconstrueerd en
de tekeningen gemaakt. Maar nu de basisvoorwaarden zijn geschapen kan
dan eindelijk echt de spade in de grond. De heropbouw van het Boeddhisme
in Mongolië gaat een moeizame weg, maar aan de einder gloort de hoop
op een hernieuwde manifestatie van de ooit zou wijdverspreide uitoefening
van de dharma.